Geschiedenis

Het begraaf- en gedenkpark Heilig Landstichting heeft een inmiddels meer dan honderdjarige geschiedenis. Die gaat terug tot 1906, toen de priester Arnold Suys zijn ideeën vastlegde voor een park waarin bezoekers een denkbeeldige wandeling konden maken langs de belangrijkste plekken uit het leven van Christus. In 1911 werd de Heilig Land Stichting gefundeerd, twee jaar later werd een nieuwe stichting opgericht die de formele beheerder van de begraafplaats werd.

In de ruim honderjarige geschiedenis is veel gebeurd. Taken werden afgestoten, elders ondergebracht en soms ook weer ten dele teruggehaald. De geschiedenis van de Heilig Land Stichting weerspiegelt dan ook in zekere zin de opvattingen over vroomheidsbeleving in de katholieke kerk.

Uit de Heilig Land Stichting is ook het huidige Museumpark Oriëntalis voortgekomen, tegenwoordig een zelfstandige stichting die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het museum. Veel gebouwen in het museum vormden samen met de monumenten op de begraafplaats oorspronkelijk één ensemble.

Levensboom

De boom van het leven wordt genoemd in het scheppingsverhaal. Zowel in het oude Mespotamië als in Egypte kende men het beeld van de altijd groene levensboom. Mensen die aten van de vruchten van die boom zouden het eeuwig leven kunnen krijgen. In het bijbelse verhaal was dat juist niet het geval. Doordat Adam en Eva van de vrucht van deze boom aten, verloren zij hun onsterfelijkheid en moesten ze het paradijs verlaten.

In de christelijke cultuur is deze levensboom vanaf de vroegste tijden een veelgebruikt motief gebleven. Het kruis waaraan Christus was gestorven werd beschouwd al een nieuwe levensboom, maar nu één die de mensen wel uitzicht biedt op de eeuwigheid. Het motief wordt dikwijls verbonden met water, een ander leven schenkend motief. Een van de met de levensboom verbonden legenden vertelt dat het hout waaraan Christus is gestorven, afkomstig is van een boom die groeide uit een twijg van de levensboom in het paradijs.

Aan het begin van de begraafplaats staat een levensboom in brons. Uit de takken van deze boom stroomt het leven schenkende water.

Luidklok

Eind 1929 werden vier luidklokken voor de Cenakelkerk ingewijd. De toonhoogtes ervan waren gebaseerd op ‘Morgenstimmung’ van Grieg.

In 1932 werd de vijfde en grootste klok besteld, een ‘D’-klok van een kleine 1800 kilo. Ze kreeg de naam van de ‘voorganger’ van de Heilig Hartverering, de Karmelites Margaretha Maria Alacoque. Deze klok was bestemd voor wat de grootste Heilig Hartbasiliek ter wereld moest worden. De bouw van deze kerk, die aan 17.000 pelgrims plaats moest bieden, was waarschijnlijk de grootste drijfveer van de Stichter van de Heilig Land Stichting, Mgr. Arnoldus Suys. Het devotiepark annex museum rond deze kerk was in zijn ogen vooral een publiekstrekker en bron van inkomsten. Maar het verkondigende museum kostte in die tijd al meer dan het opleverde, en de bouw van de Basiliek is nooit tot een einde gebracht. Het atrium ervan vormt nu het hoofdgebouw van Museum Oriëntalis.

De vijfde klok werd in 1936 geïnstalleerd in een tijdelijke toren van de in aanbouw zijnde Basiliek. In 1942 liet de Duitse bezetter het oog laten vallen op het kostbare brons. Een smeekbede van de maker, de nu Koninklijke Eijsbouts uit Asten, om de klok te behouden vanwege de buitengewone klank en kwaliteit, haalde niets uit, en samen met de andere klokken werd ook deze in Duitsland omgesmolten voor de munitie-industrie.

Na de oorlog werden de klokken opnieuw bij Eijsbouts gegoten en in juni 1949 geconsacreerd. De Heilig Hartklok ging voortaan luiden als aankondiging van de rondleidingen door het park. De Montfortaan pater J. Eyckeler schreef voor die gelegenheid het lied ‘Heilig Land, droomland’, waarvan het refrein luidt:

Hoor! daar luiden weer de klokken!
Vlug: de hoeden en de stokken
En daar zijn we weer vertrokken
Naar ’t verre Heilig Land

Tegenwoordig laat de klok zijn prachtige zware tonen weer klinken ter begeleiding van de overledenen naar hun laatste rustplaats. De klok is daartoe overgeplaatst naar de ingang van de begraafplaats.

Rijksmonument

Het devotiepark en de daarbij in oosterse bouwtrant ontworpen gebouwen en objecten van de Heilig Land Stichting hebben, mede in samenhang met de inrichting van het terrein, een hoge zeldzaamheidswaarde. De Cenakelkerk, de pastorie en de synagoge bezitten daarnaast gave en bijzondere interieurs, die in hun vormgeving en detaillering zijn gebaseerd op voorbeelden uit de Byzantijnse en Arabische cultuur.

Als een uniek voorbeeld van het oriëntalisme in de Nederlandse cultuur werd het aangewezen tot rijksmonument. Het betreft niet alleen de gebouwen en monumenten van de Heilig Land Stichting op de begraafplaats en in Museumpark Oriëntalis, maar ook de Cenakelkerk en de ‘pelgrimshuis’ Casa Nova. Het complex moest dringend worden gerestaureerd, een omvangrijk en vele miljoenen kostend project dat mede dankzij de steun van rijkswege kon worden opgestart.

De diverse beheersstichtingen streven ieder op een eigen wijze naar inbedding van het oorspronkelijke gedachtegoed in de 21ste eeuwse samenleving. Casa Nova houdt daarbij vast aan de pro-life gedachte en biedt religieuze bezoekers onderdak voor retraite en bezinning. De Cenakelkerk streeft ernaar een ruimte te zijn voor gelovigen en niet-gelovigen, waar, naast de viering, het ontmoeten, gastvrijheid, zorg en meditatie voorop staat. Het Begraaf- en Gedenkpark gaat op een vooruitstrevende wijze om met het fenomeen van begraven en gedenken, met respect voor de katholieke tradities. Museumpark Orientalis bouwt het devotiepark uit tot een instelling waar jong en oud kan zien, ervaren en beleven dat cultuur en religie van jodendom, christendom en islam historisch met elkaar zijn verbonden.

Het complex wordt door Monumentenzorg van grote architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische betekenis geacht.

Misschien nog belangrijker is het te constateren dat hetzelfde erfgoed – juist dankzij haar bijzondere setting, bouwwerken en uitstraling – unieke mogelijkheden biedt in het veld van maatschappelijk en educatie. In alle opzichten een ‘kanjerproject’ dus.

Piet Gerrits

Piet Gerrits (Nijmegen 1878) bezocht, na een stage bij het bureau van architect Cuypers, een jaar de “Koninklijke Academie voor Schoone Kunsten” te Antwerpen. In 1897 vestigde hij zich als kunstenaar in Nijmegen. In 1905 werd hij lid van de Violier, een Amsterdamse kunstkring die de katholieke cultuur nieuw leven wilde inblazen. In deze jaren maakte hij zijn eerste pelgrimstocht naar Palestina. Daar ontmoette hij kapelaan Arnold Suys en de architect Jan Stuyt, waarmee hij later op de Heilig Land Stichting zou samenwerken.

Bepalend voor zijn werk was zijn verblijf in Palestina en Jordanië tussen 1906 en 1911. Hij decoreerde daar een aantal kerken en leefde langere tijd bij de bedoeïenen van wie hij de levenswijze bestudeerde. Zo probeerde hij een beeld te krijgen van het leven in bijbelse tijd, ervan uitgaande dat dit leven in tweeduizend jaar niet veel was veranderd. Vanaf 1911 was Gerrits conservator en artistiek adviseur voor de Heilig Land Stichting. Hij hield zich bezig met de inrichting van de terreinen en ontwierp gebouwen, beelden en reliëfs. Daarnaast voerde Gerrits opdrachten uit voor kloosters en kerken. Hij ontwierp kruiswegstaties en liturgische voorwerpen, illustreerde tijdschriften en decoreerde kerken en kapellen. Bekend voorbeeld hiervan is de Cenakelkerk met pastorie die hij van binnen geheel decoreerde en waarvoor hij liturgische voorwerpen ontwierp.

In 1944 verloor Gerrits door krijgshandelingen een arm en een oog. Niettemin bleef zijn betrokkenheid bij de Heilig Landstichting groot. In 1955 voltooide hij hier zijn laatste grote werk: de Bergrede. Twee jaar later overleed hij; hij werd begraven op de begraafplaats die mede door zijn toedoen tot stand was gekomen.